Wiebelen

De huizenmarkt in Beijing wiebelt. De huurprijzen schieten omhoog, en huisbazen presenteren hun huurders, vaak op het laatste moment, met een huurverhoging van bijvoorbeeld 30%. De huurprijzen gaan omhoog, omdat er, zo heb ik gehoord, er minder gebouwd wordt, en de bestaande huizen dus in waarde stijgen. Ik kan dat niet in twijfel trekken, hoewel ik aan de horizon toch nog zo’n 20 bouwkranen tel.

Maar goed, veel van mijn collega’s moeten een bittere pil slikken of verhuizen overwegen. Vriend G., niet ruim bij kas, werd uit zijn huurflat gegooid omdat de huisbazin het pand wil verkopen. Hij ahd erg weinig tijd, en paniekerig ging hij op huizenjacht. Hij vond een 1-kamer flat ergens in onze compound, had een vluchtig (laniekerig) bezoek, zei ja, en ontdekte een dag later dat er drie dagen zaten tussen vertrek uit het ene onderkomen, en intrekken in het andere onderkomen.

Hij moest overgehaald worden door anderen om mij te bellen. Of hij misschien een paar dagen bij ons op de bank kon? We hebben een logeerkamer, dus dat was geen probleem. Hij had ook 17 dozen…? Geen probleem, zei ik, onze huiskamer kan dat makkelijk aan.

Dus hadden wij het afgelopen weekend een stapel dozen in het dode eind van onze huiskamer. Je zou ze niet eens opmerken, zo halverwege de bank en de keuken. Onze huiskamer heeft de afmeting van een bus.

Zijn dankbaarheid zette hij snel om in een etentje, een paar flessen wijn, terwijl ik hem probeerde af te remmen: geen probleem!

Gisteren verhuisde hij in de vroege avond naar zijn nieuwe plek. Er was een constant rinkelende telefoon (DD moest in de slag met de makelaar, de verhuizer, de eigenaar en opnieuw met de verhuizer.

Toen alles in kannen en kruiken leek, en DD de pannen op het vuur zette (en ik, geveld door een merkwaardige koorts die mij dit alles door een soort mist liet meemaken, mijn pilletjes slikte) ging de telefoon opnieuw. G. was erg ongelukkig in zijn nieuwe plek, wilde onmiddellijk weer verhuizen, en hij wilde zeker geen jaarcontract tekenen. De pannen gingen van het vuur, ik nam nog een kopje thee met gember, en DD deed zijn best om alles recht te breien.

En alles kwam toch weer op zijn pootjes terecht. G. besefte dat hij door vermoeidheid misschien wat te fel reageerde, en de makelaar begreep dat er veel verloren ging door vertaling.

Pfff.

Er zijn niet veel dagen zonder avontuur in Beijing.

Advertenties

Ruik jij of ruik ik?

Rokers stinken. Hun jas, hun haar, hun kleren, hun handen: het zijn mensen die voor niet-rokers vies zijn.

Denk ik. Ik ben een roker. Probleem van het roker zijn is dat je eigen reukvermogen achteruit gaat. Zelf ruik je niet zo best.

Wat ik wel ruik, en stevig ook, is de chauffeur die ons elke morgen naar school brengt. Hij is de reden dat ik mijzelf uitleef met de aftershave. Het is geen onaardige man (hoewel hij soms zijn Engels wil oefenen: “It is a lovely day, isn’t it?, en dat gaat niet lekker met mij om 7.10 in de ochtend) maar hij is duidelijk niet de beste chauffeur onder de Chinezen, en dat zegt veel. Hij heeft ergens het pompend remmen geleerd, en ons ontbijt maakt wat golfbewegingen door, voor we eindelijk (pompende remmend) tot stilstand komen bij de school.

Maar de geur. Het is de geur van een ongewassen man in de winter, de geur van aangekoekt vuil en ongewassen kleren, een geur die mij doet kokhalzen, als ik niet mijn sjaal om mijn mond en neus wikkel en nog even doorgeniet van mijn Fahrenheit aftershave.

De eerste vijf minuten van onze dagelijkse rit zijn dus doorgaans stil. Mijn collega en ik worstelen met de omgeving. Daarna voeren we een gesprek, afhankelijk van hoe we ons voelen. Ik vind stilte in de ochtend wel mooi, en ik wil niet diep ingaan op onderwijskundige kwesties, maar soms leven we ons uit en dan is het als een kop espresso: mijn hoofd is volledig actief zodra ik de poort binnenloop.

Dan snuif ik de ‘frisse’ lucht van Beijing op. Zelfs die is beter.

Op cursus

Zo heette dat ooit: je ging en paar dagen op cursus. tegwnoordig is dat anders: ik zat 4 dagen in Bangkok of all places met 200 leerkrachten in de Special Education Network in Asia conferentie: een 5 sterren hotel met alles drop en dran, en luisterde o.a. naar een professor, zelf autist, die uitlegde hoe het was om autist te zijn, en een zeer energieke mevrouw die in 1 klap al mijn planningsschema’s naar de prullenbak verwees en verving met 6 zeer nuttige en zeer logische schema’s, zo simpel dat ik me afvroeg: had ik dit niet kunnen bedenken?
Ik zal u niet vermoeien met de onderwijskant. Veel leuker natuurlijk was alles er om heen: het eten, de temperatuur, de roddels, de contacten met mensen die hetzelfde doen als ik in andere landen en steden en scholen.
Een collega werd ziek en bleek longontsteking te hebben. Ik miste hem vanaf dag 1. We zien elkaar weinig (hij werkt in Middle School en ik in Elementary School) en we zien elkaar veel te weinig. Op de laatste dag vonden we elkaar weer even: hij zwaar onder de antibiotica. Het had geweldig geweest als we samen wat biertjes hadden kunnen drinken.
Ik was op slag weer verliefd op Bangkok. Lekker chaotisch en vriendelijk, groen en tropisch, makkelijk te navigeren.
Vanmorgen pakte ikd e koffer, en pas op het vliegveld en inde rij voor de douane (en dat was een lange rij dankzij de recente bomaanslagen) ontdekte ik dat ik mijn jas had achtergelaten in het hotel. Ik belde met de receptie, en ze vonden mijn jas. Ik glipte uit de rij van de douane (zeer verdacht gedrag!) en wachtte buiten het vliegveld op mijn jas, die keurig werd bezorgd.
Thailand, the land of smiles.

Gevaar

Er is een kamer in het huis waar ik altijd zeer voorzichtig ben.
De badkamer.
In mijn fantasie (en ik zie altijd beren op de weg) glip ik onderuit op een moment dat ik alleen ben, en dan zie ik mijzelf twee dagen met een gebroken heup of been op een koude badkamervloer, kreunend, met de badkamerdeurkruk net buiten bereik.

Ik stap dus als een behoedzame bejaarde in en uit de tobbe, en kan meestal een zucht van verlichting niet onderdrukken als het weer zonder botbreuken is gelukt.

Vanmorgen ging het dus even anders. OK, ik had na twee uur lekker dobberen en lezen veilig de badkuip verlaten, maar, eenmaal afgedroogd en monter op weg naar de klerenkast, gleed ik weg over een plas.

Had iemand dat vastgelegd op video en daarna geplaatst op YouTube, zou het inmiddels een hit zijn. Ik weet dat ik eerst achterover wilde, daarna voorover, en ondertussen kregen mijn voeten geen grip. Ik raakte van alles, en uiteindelijk de vloer.

Het resultaat? Een zere knie en heup, en morgen waarschijnlijk een enorme blauwe plek op mijn bovenarm. Alle spieren zijn nu inde war; blijkbaar was mijn dansje voor hen een grote verrassing.

Ik ben blij dat ik niks gebroken heb.

De Lange Man

De Lange Man zat bij de rap invallende duisternis op zijn sofa, een kat rechts en een kat links, met in zijn hand een gloeiende kop chocolademelk, en op zijn schoot de nieuwe De Leeuw.
Van het weer werd De Lange Man bepaald niet vrolijk: op de binnenplaats rilden de kale takken in een bitse wind, er knalde nog wat treurig vuurwerk, en kleumende straatvegers konden, ondanks hun vrolijke oranje hesjes, de algehele winterstemming niet verheffen.
De Lange Man peinsde over de regels van het klaverjassen. Als een jonge, nog niet zo Lange Man, groeide hij op in een gezin waar klaverjassen DE SPORT was, en als de vierde man werd hij al jeugdige leeftijd de kunst bijgebracht zodat ook in gezinsverband kon worden gekaart. Gelukkig was het een sport waarbij hij kon blijven zitten.
Onlangs was De Lange Man in de stamkroeg door enkele vriendelijke Nederlanders uitgenodigd om eens te komen klaverjassen. Er vonkte iets in De Lange Man toen hij dat hoorde, en zag de cirkel van licht op het groene kleed op de eettafel, de schaal met borrelnootjes, en het bloknootje waarop de punten werden bijgehouden. Hij hoorde de klap waarmee zijn vader de troeven op tafel dreunde, en dacht met een melancholiek genoegen aan het moment toen hij oud en wijs genoeg werd bevonden op de puntentelling bij te houden.
Ach, Nederland.
De Lange Man was niet zo’n verenigingsmens. De Paasontbijten bij De Muur of de maandelijke borrel van de Nederlandse gemeenschap in den vreemde konden hem niet echt behoren, mogelijk meer uit luiheid dan uit onwil.
Maar De Leeuw knoopte hem, elke keer weer, als een papieren navelstreng, weer even aan zijn lotgenoten en zijn land. (Wie kan niet houden van een land waar, zodra het echt begint te vriezen, men enkel kan praten over de dikte van ijs en erwtensoep?)
De Leeuw gaf de Lange Man pret en genoegen. Hij droeg De Leeuw een warm hart toe en leverde trouw zijn stukjes in. De Leeuw en De Lange Man waren al zolang vriendjes; De Lange Man kende De Leeuw nog als welpje. Hij had aan de wieg gestaan, en met knorrend genoegen gezien hoe de welp een echte leeuw werd, met een volle glanzende vacht. De Leeuw brulde. Hij was iets om trots op te zijn.
Maar niet deze.
Mismoedig bekeek De Lange Man de laatste editie. De Leeuw had niet alleen zijn glanzende vacht verloren, ook van binnen was het dof en grijs. En wat men daar ook schreef, (en De Lange Man wist met hoeveel geduld en liefde en kunst en vliegwerk men hun bijdragen geschreven) het leek opeens gefluister, gestamel en gestotter in het halfdonker van een winteravond.
Het deed De Lange Man denken aan een schoolkrantje en hij moest er van blozen, van schaamte. Dat hij dat durfde te denken over het harde werk van zovelen. Plaatsvervangende schaamte: dat men dit een Leeuw zou durven noemen.
De Lange Man zocht naar verklaringen en kreeg meteen pijnlijke vragen in zijn vermoeide hoofd. Had de crisis dan eindelijk de burelen van de redactie bereikt? Was er een tekort en moest er worden bezuinigd? Moest hij dan toch maar contributie gaan betalen zodat De Leeuw kon blijven bestaan? Of misschien met een collectebus zich scharen tussen de bedelaars bij Jenny Lou, illegal kopieen van De Leeuw verkopen als was het een daklozenkrant?
Buiten was de duisternis inmiddels compleet, de binnenplaats werd slechts verlicht door wild schommelende rode lantaarns. De chocolademelk was koud geworden.
Hoe het kwam wist hij niet, maar De Lange Man moest opeens denken aan tulpenbollensoep.

onder elkaar

Een homo-wooncomplex in Den Haag.

Aan die gedachte moet ik even wennen.

Ik gun ieder het zijne en het hare, en ik heb niks tegen homo’s (ben er zelf 1), maar een roze wooncomplex? Als het gaat werken is het vast erg gezellig, maar ik voel me wat ongemakkelijk bij het idee dat men, waarschijnlijk vanwege de veiligheid en het ons-kent-ons, op een kluitje gaat zitten, misschien zelfs wel met een hek er om heen en een slagboom en een pasje.

Een homowijk? Een zelfgekozen ghetto? Afzonderen?

Ik dacht dat we juist gewoon wilden zijn, een belangrijk en vrolijk onderdeel van de maatschappij.

De bedenkers zijn natuurlijk uit op de euro-variant van de ‘pink dollar’. Want homo’s hebben door de bank genomen een goeie baan, geen kinderen en houden van luxe en het goede leven, om maar een paar gemeenplaatsen te plaatsen.

Gemengde gevoelens, dus.

 

China zien

Vanavond worden de feestelijkheden rond het Chinees Nieuw Jaar afgesloten met (waarschijnlijk) weer een flink vuurwerk. Het is de avond van de ‘sweet dumpling’, niet mijn favoriet. DD kookt echter ook ‘gewone’ dumplings, dus het komt wel goed.

Wij zijn alweer een week aan het werk, en in die week zagen we het verkeer weer langzaam toenemen: altijd een teken dat alle familiebezoekers en vakantiegangers weer thuis zijn.Vorig jaar werden we twee weken lang elke avond in de oren getoeterd met de meest vreselijke trommelvlies-scheurende bommen en waren taxi’s onvindbaar; dit jaar was het vuurwerk (afgezien van twee avonden) beschaafd en gecontroleerd, en verscheen er een taxi als je je hand opstak.

Ik houd van het Chinees Nieuw Jaar, omdat de stad leeg en toch plezierig feestelijk aanvoelt.

En daarna gaan de temperaturen omhoog: aan het eind van de week is 6 graden voorspeld!

Het afgelopen weekend trok een groep collega’s naar het ijs-en sneeuwfestival in Harbin in het noorden. Ik heb dat jaren geleden al gedaan, en daarvan genoten. Maar rondkleumen op de ijsvlakte, ouwe mannetjes het ijskoude water in zien duiken, en met de ijspegels aan je neus glibberen langs fraaie ijssculpturen: het kon mij dit jaar niet bekoren. Ik sprak een collega die wel dapper de lange onderbroek had aangetrokken .

“Ik heb besloten dat ik nu China wel gezien heb.”, stelde ze vanmorgen. OK, ik moet beamen dat ze in de afgelopen anderhalf jaar dat ze hier is, aardig wat trips op haar naam heeft geschreven, maar China gezien?

“En de service verlening is gewoon niet goed.”, zei ze, een beetje bitserig. Ah, hier kwam de Amerikaanse naar boven. “De Chinezen snappen er niets van. En die idiote afzetterij praktijken in de souvenirwinkels!”

Ik begreep dat er nu een tirade zou komen waarbij ik mijn kiezen op elkaar moest houden met het oog op de goede vrede. We klagen allemaal wel eens, ieder op zijn tijd. Deze klaagzang van de verwende toerist duurde 15 minuten, en werd afgesloten met dezelfde stelling: “Ik heb China wel gezien.”

Waarop ik bij mijzelf dacht: blijkbaar niet.