Kleur

De verwarming is uit. Niet mijn keus, maar de keus van waar we wonen, en de datum wordt geprikt door de overheid, weer of geen weer.
Toen de verwarming werd uitgezet was het net een paar dagen best wat behaaglijk, met zon en het idee van lente in de lucht. Maar daarna zakte we weer flink, en nu is het huis zo koud, dat het buiten warmer lijkt. Alsof de betonnen kolos via zijn fundamenten de kou uit de grond opzuigt.
En om het nog vrolijker te maken: Beijing is nog steeds zo grijs als grijs kan zijn, in al zijn tinten.
Er hangt een vaag groene waas rond de wilgen, maar daar blijft het bij. Het gras houdt zich gedeinsd. Bloesem is dapper verschenen, maar enkel de witte; het uitbundige roze laat op zich wachten.

Het is vandaag Paaszondag, een grijze smoggy dag. Moe van het koude huis, zelfs met twee katten opgerold in mijn oksels, bedscht ik dat ik ook een uurtje in de taxi kon gaan rondrijden, opz’n minst warmer dan mijn huis. Gelukkig was de bar warm, hoewel de deuren open moeten omdat de voorkant vandaag is geschilderd. Een flinke lik verf maskeert de roest van de kozijnen voor de komende maanden.
Niets is China houdt lang stand, we leven met illusies.
De bar is vandaag het groenste ding in het straatbeeld.
Toch nog kleur.

Advertenties

De Lange Man

De Lange Man bezocht in zijn klerenkast de in de loop der jaren opgebouwde verzameling Oranje requisieten. Er waren opblaashoedjes in de nationale kleuren, een paar Unox-wanten, een frivole oranje boa en een paar klompen, ooit te klein aangeschaft. Er waren Heineken T-shirts, en ook een oranje das met vrolijke leeuwtjes. Maar niets passends om te dragen bij de inauguratie van een kersverse Koning, zuchtte De Lange Man binnenhoofds en hij besloot een kuierrondje te maken over de grachten om zijn gedachten te ordenen. Het nevelde vroeg, de burgers hadden zich teruggetrokken voor hun beeldbuizen en blauw flikkerend licht kwam door de ramen en verlichtte het pad van De Lange Man tot aan de stamkroeg.
De Kasteleinse met de Blozende Wangen begroette hem met een “Als een mot naar de lamp, Lange Man?” en schoof hem een ijskoud kelkje toe. De Lange Man hief het tot de lippen, proostte het statieportret van de Koningin dat achter de bierglazen promineerde, en nam een slokje.
“Ik heb het er niet op.” prevelde de man naast hem op de kruk, gezeten achter een halfvol glas van ooit schuimend bier. “Dat hele koningshuis, het kan me gestolen worden.” Vanuit zijn ooghoeken observeerde De Lange Man zijn collega drinker: een kleine man met enorme wenkbrauwen, en een klein snorretje onder een spitse neus. De Muizige Man klotste zijn bier in het glas, zodat het wat schuimde. “Geld speelt geen rol. Een eenvoudige doch voedzame maaltijd is hen vreemd.” De Muizige Man liet een boertje dat nagalmde in zijn glas. “Sloven zijn wij, onder het juk van de grote denkramen.”
“Dat is..” diplomatiekte De Lange Man, “zeker een bepaalde manier om hier naar te kijken.” Hij nam een wat groter slokje en gebaarde de Kasteleinse voor een opvolger. “Maar denkt U misschien dat we beter af zijn met een president?” De Muizige Man zweeg en tuurde naar de bodem van zijn glas, alsof daar wijsheid was te vinden. “Dat nou ook weer niet.” mompelde hij.
“Juist!” trompetterde De Lange Man, die dacht te staan een het begin van een triomfantelijke overwinningstoespraak. Hij zag in een flits Wilhelmina, een kleine, wat proppige vrouw die op het balkon van het Paleis op de Dam bij “Leve de Koningin!” haar arm zo strak en hard omhoog wierp dat ze bijna achterover leek te tuimelen. Hij zag Juliana het roerige volk vanaf het balkon tot iets van stilte manen, met een ontroerend Sssst!. Het was de tijd van ‘Geen Woning, geen Kroning’, en de Gouden Koets was wazig door wolken traangas. Dat waren momenten van iconische waarde, en hij verheugde zich op een paar nieuwe, die hij kon meedragen voor de rest van zijn leven.
“Uw woordkeus…” sprak De Muizige Man, “ is exemplarisch voor het probleem. U zegt: ‘met een president’. Maar moet dat niet zijn ‘onder een president?’ Of, zo U lijkt toe te juichen, ‘onder een monarchie’?
Het kelkje van De Lange Man zweefde enkele seconden tussen tapkast en lippen. “Bilderberg, jonge vriend.” lispelde De Muizige Man, en zijn harige wenkbrauwen golfden op en neer als hamsters op een trampoline. “Meer zeg ik niet.” De Lange Man staarde naar het portret van de Vorstin. Ze leek te knipogen. “Ik weet niet zo goed wat dat betekent.”, probeerde De Lange Man, “maar ik denk te weten dat wij niet slecht af zijn onder Ons Koningshuis.” Toen hij zat zei, klonk het al seen proclamatie waarin de hoofdletters te horen waren.
“Wij hoeven nergens onder.”, zei De Muizige Man. “De zoden uitgezonderd.” Met die woorden plaatste hij zijn geld op de bar, rechtte zijn rug waardoor hij centimeters groeide en vertrok, De Lange Man achterlatend met een klein, bijna onzichtbaar barstje in zijn koningsgezindheid.
Buiten dreven slierten mist over het grauwe water van de gracht. De Lange Man peinsde zich naar huis, en toen hij de sleutel in het slot stak, de vertrouwde klik hoorde, en de kat zich meldde voor een eenvoudige doch voedzame maaltijd, dacht: “Ach, wat dan ook. We krijgen Maxima als Koningin. Dat kan toch niet mooier?”

Ik en de wasmachine: we hebben nooit een goeie relatie gehad.
En niet alleen de wasmachine: het huis staat vol met apparaten die altijd het slechtste met mij voor hebben. Ik druk op verkeerde knoppen, lampen knipperen als ik in de buurt kom, de afstandsbediening stuurt me naar onbegrijpelijke menus, de verzameling machines die zorgen voor frisse lucht en vochtigheid zijn een gesloten boek, en als u bij mij aanbelt is het een loterij: druk ik op de juiste knop van de intercom om u binnen te laten? Hoogstwaarschijnlijk niet. Ik ben degene die zichzelf elektrocuteert als hij de kerstboomlampjes aandoet.
Ik ben niet lui, en wil de wereld om mij heen graag begrijpen. En ik ben omringd door aardige en geduldige mensen die mij keer op keer uitleggen wat ik moet doen voor het gewenste resultaat. Ik luister gehoorzaam, herhaal wat ze tegen me zeggen, maar een dag, een uur, of tien minuten later sta ik weer met de mond vol tanden. Ik wil het zo graag snappen, want het effectief gebruik van al die techniek is noodzakelijk om te overleven, als een schoon en sociaal wezen.
De wasmachine spreekt Chinees, en normaal gesproken kan ik de aanwezigheid van dat grijsgroene Ding in mijn keuken negeren, want anderen (lief en ayi) proppen alles van de wasmand in dat Ding, en daarna vind ik het gestreken en wel in mijn kast. Maar in de afwezigheid van lief EN de ayi, tijdens Chinees Nieuwjaar, moest ik met het Ding in conversatie. Dat is geen gemakkelijke gesprek. Het is een bovenlader, voor degenen onder u die er iets van verstand van hebben, en dus ogenschijnlijk makkelijk om te bedienen. Ik stelde het gesprek zo lang mogelijk uit, maar nijpend tijdens de vuurwerkweken was de T-shirt situatie. Met zeven onverwoestbare shirts stond ik bij het Ding. Moeilijk kon het niet zijn, toch? Ik vond de aan-en-uit knop, en kreeg vervolgens een keuze van knipperende lampjes. Ik mikte de shirts in de trommel, strooide er wat poeder op, sloot de klep, en koos lampje 1. Het ding begon te snorren, water stroomde binnen, en tevreden met wat leek op een overwinning maakte ik thee en zag een film. Ik was eigenlijk een beetje trots. Man en machine, ha! Natuurlijk win ik.
Een half uur later piepte het Ding om aandacht. De shirts dreven nog rond in water, maar de actie was gestopt. De shirts waren gewassen, dat was duidelijk, maar de grijze watersoep had er niet moeten zijn. Ik koos voor lampje twee en sloot de klep.
Het moest natuurlijk lampje drie zijn, dat zag u al aankomen. . Die shirts waren erg schoon, drie uur later. Ik had gewonnen, dankzij trial en error. Er waren dan ook geen andere knopjes over.
Zal ik nog uitleggen dat alles in de hoek van IPhone en IPad (en ja, die hebben we ook in dit huis) voor mij prachtige apparaten en hebbedingetjes zijn, die veel plezier verschaffen, maar die, als het even niet gaat zoals het moet gaan, mij tot wanhoop drijven, en een kreet om hulp? Die dan altijd wel geboden wordt, maar toch. En laat ik niet beginnen over memory sticks.
Deze voortdurende technische onhandigheid baart mij zorgen, Ik lach mijn schaamte weg, ik draag mijn klunzigheid als een medaille op de borst, alsof ik wel andere dingen aan mijn hoofd heb dan een wasmachine, een luchtververser, of afstandsbediening. Maar het wringt wel in mij. Afhankelijk zijn van anderen als het aankomt op simpele zaken is nooit een plezierig idee. Je weet nooit waar je nog eens belandt, waar hulp niet voorhanden is. Ik vraag mijzelf wel eens af: hoe zou ik het doen op een onbewoond eiland? OK, er zijn geen apparaten om het hoofd over te breken, maar kan ik een vlot bouwen, een vis vangen, een kokosnoot uit een boom meppen?
Er zit gelukkig een positieve kant aan dit alles. Lief is verzekerd van mijn voortdurende aanhankelijkheid. En de ayi kan af en toe rekenen op een doosje chocola en een loonsverhoging. Ik moet gewoon even onthouden: lampje drie voor schone shirts.